"Kukeleku, en de kins miech neet"
Hieronder vindt U veel achtergrond-informatie over de "Mestreechter Vastelaovend".
Heel lang geleden... (een stukje geschiedenis)
Wie ook het tegendeel mag beweren: Carnaval is niet door een Maastrichtenaar uitgevonden. In zijn ongepolijste oervorm is dit volkscultureel fenomeen terug te vinden bij Babyloniers en Egyptenaren en later bij Grieken en Romeinen. Bij het aantreden van een nieuwe lente vierden zij feest vanwege het nieuwe licht en de herboren vruchtbaarheid. De Grieken richtten zich daarbij vooral tot de god Dionysus (Bacchus), die zij in symbool meetroonden op een scheeps wagen, een carrus navalis. Wij herkennen hierin duidelijk de benaming Carnaval.
Een scheepswagen, een doorgaans blauw geverfde schuit, heeft door de eeuwen heen tot de karakteristieken van de lenteviering behoord. In diepste oorsprong was het een cultisch attribuut, dat diende voor het vervoer van de godin van de vruchtbaarheid. In het jaar 1133 deed een dergelijk 'amfibisch' voertuig zijn intrede in onze regio. Het vertrok in het Akense Cornelimunster en zwalkte via Maastricht en Tongeren naar Sint Truiden. Aan deze tocht herinnert al zo'n halve eeuw de jaarlijkse Blauwe Schuitpelgrimage van de Heerlense Winkbulle. Op donderdag voor Carnaval gooien zij het anker ook in Maastricht uit. Het heeft al lang niets meer te maken met de godin van de vruchtbaarheid. Het rondtrekken van de Blauwe Schuit is nu uitsluitend een folkloristisch gebeuren, dat echter in Maastricht slechts voor kennisgeving wordt aangenomen.
Een enkel woord nog over de lenteviering bij de Germanen. Zij deden het door 'Moeder Aarde' mee te voeren op een scheepswagen, maar verder ook door het ontsteken van nachtelijke offervuren in het woud. Het Duitse woord Fastnacht herinnert hier nog aan.
De eerste geloofsverkondigers in onze streken hebben de met heidense cultusgebruiken omgeven feesten 'verchristelijkt' en nadrukkelijk geplaatst aan de vooravond van de jaarlijkse veertigdaagse vasten. In dat kader past beter de woordafleiding Carne Vale (vaarwel vlees!) als verklaring voor het verschijnsel Carnaval. Het zou nochtans lange tijd duren vooraleer kerkelijke en wereldlijke overheid het feest metterdaad zouden accepteren. Tot zo'n vijftig jaar geleden werd ook in onze contreien voor en tijdens Vastenavond nog streng gezwaaid met verordeningen, verboden en dreigementen. In kloosters en kerken werden zowaar boete-oefeningen gehouden tot bekering van het 'zondige' carnavalsvolk. Tijden veranderen. Nu treden tijdens de Stadhuis'zitting op carnavalszaterdag in Maastricht de katholieke deken, de protestantse dominee en de joodse rabbijn eens- en blij-gezind naar voren om een hoge onderscheiding van de Tempeleers in ontvangst te nemen. En menige carnavalsvereniging woont nu op zondagmorgen met prins en raad van elf in ceremonieel tenue de hoogmis bij.
Momezy
Weer in Maastricht beland, komt de vraag op: wanneer werd hier voor het eerst Carnaval gevierd? Volgens de overleden historicus dr. Charles Thewissen is in deze stad door de eeuwen heen sprake geweest van een ongebonden volksfeest van straatcarnavalisten. Reeds in het midden van de vijftiende eeuw zou in Maastrichtse raadsverslagen ruimte zijn vrijgemaakt voor verbodsbepalingen ten aanzien van het maskeren. Een gestructureerde carnavalsorganisatie kwam eerst tegen het midden van de negentiende eeuw van de grond na turbulente jaren rond de afscheiding van Belgie. In die periode kende Maastricht de staat van beleg, welke toestand weinig ruimte liet voor amusement. In 1839 kon men weer vrijelijk ademen. In dat jaar haastten enkele zakenlieden zich een societeit te stichten die zich ten doel stelde stedelijke volksfeesten te organiseren, met name in de carnavalstijd. Vanaf het daarop volgende jaar trok met Carnaval ook een optocht door de stad. Er was eerder sprake van een historische stoet. In 1841 bijvoorbeeld werd op zondag 21 en dinsdag 23 februari de 'blyde inkomste' van Karel V in 1520 stijlvol uitgebeeld. Al met al plaatste Maastricht zich in de rij van steden in het Rijn-Maaslandse cultuurgebied die de viering van Vastenavond tot hoogtepunt in de plaatselijke jaarkrans van feesten hadden verheven. Keulen was daarmee in 1823 gestart, Dusseldorf volgde in 1835 en Mainz in 1838. In onze provincie zou Venlo ('Jocus') in 1842 volgen.
De Maastrichtse carnavalisten stelden zich onder de schutse van de Griekse god van spot en kritiek Momos (Latijn: Momus) en presenteerden zich naar buiten als Momezy met als taak- en doelstelling 'Amuzemint en ech-froay gekkery'. Waar maar even mogelijk, werd elf, het getal der zotten en narren, centraal gesteld. Zo waren er elf bestuursleden, telde het huishoudelijk reglement elf artikelen en werd elk nieuw jaar ingeschoten met elf oorverdovende knallen van het minuscule Momuskanon, dat nog steeds op carnavalszondag in actie komt. Waarom wordt het getal 11 in verband gebracht met zotternij en spot? Elf verwijst naar het woord alf, dat in de Griekse mythologie een natuurgeest aanduidde. In de Middeleeuwse literatuur kreeg alf (elf) de betekenis van plaaggeest. Aan de beginperiode van de Momezy herinnert ook het houten paard Pegasus, dat nu tijdens zittingen van de Tempeleers dienst doet als spreekgestoelte voor kletskriemers (buutteredner, tonredenaars). Pegasus was in de Griekse mythologie het gevleugelde paard. Dat de Momus ooit is uitverkoren moederhuis te zijn van de Maastrichtse carnavalisten ligt voor de eeuwigheid (!) vast in een gebeitelde narrenkop in de top van de voorgevel aan het Vrijthof. Het pand heeft nu een multifunctionele horeca-bestemming.
In de laatste decennia van de negentiende eeuw zwakten de activiteiten van de Momus-societeit af. Na 1900 kwam de Organisatie van carnavalsoptochten in handen van de vereniging Maastricht Vooruit, voorloper van de latere VVV. Veelzijdig kunstenaar en animator Fons Olterdissen fungeerde als eerste president van Maastricht Vooruit. In de oorlogsjaren 1914 - 1918 verstomde het carnavalsgedruis in de stad. Het duurde tot de tweede helft van de jaren twintig vooraleer opnieuw een carnavalsoptocht uittrok, ditmaal onder patronage van de stedelijke VVV. Dat duurde tot 1935. Het jaar daarop nam een Comite van Vijf het heft in handen. Dat comite introduceerde met veel succes een Boonte Storrem in de optocht: een ongeordend veelvoud van honderden hossende en zingende carnavalsvierders in veelkleurige verkleding. In 1939 vierde de Momussocieteit zijn eeuwfeest, dat tevens echter het bestaanseinde inluidde. Vanwege tegenstellingen in het verenigingsleven trok het Comite van Vijf zich dat jaar terug. Het werd opgevolgd door een driemanschap waartoe ook dr. Sjeng Tans, de latere bouwheer van de Universiteit Maastricht, behoorde. Stadsprins in 1939 werd de juwelier Ber Retrae. Hij was de laatste voor-oorlogse prins en zou ook, in 1946, de eerste na-oorlogse prins worden. Hij werd toen als zodanig uitgeroepen door Vastelaovendsvereiniging De Tempeleers, opgericht op 16 november 1945.
't Leedsje
Waar de naam Tempeleers vandaan komt? Wellicht heeft men zich laten inspireren door een gelijknamige ridderorde die in 1119 in Jeruzalem werd gesticht om pelgrims in het Heilige Land te beschermen. Daarbij heeft men zich in Maastricht kennelijk niet laten afschrikken door de herinnering aan de wrede executie van Tempelieren nadat paus Clemens V onder druk van onbewezen verdachtmakingen de orde in 1312 had opgeheven. De notulen van de oprichtingsvergadering in 1945 zeggen niet meer dan 'umtot de vereiniging zitting heet in d'n awwe Momustempel en neet leve kin zoonder e stevig glaas beer'. Dachten de oprichters soms aan de uitdrukking 'Hij drinkt als een Tempelier'? Wie zal het zeggen? Minder waarschijnlijk, zelfs volkomen onwaarschijnlijk, is een relatie te veronderstellen tussen de Maastrichtse Tempeleers en een in 1852 in New York opgerichte Orde van de Goede Tempelieren. Bij de Burgerlijke Stand werd deze orde ingeschreven als een genootschap van geheelonthouders
De Tempeleers hebben bij het stadsbestuur steeds in een goed blaadje gestaan. Hen werd van meet af aan de verantwoordelijkheid (responsabiliteit) toevertrouwd over de Organisatie van het stedelijk carnavalsgebeuren, inhoudend onder meer het uitroepen van een stadsprins, diens officiele machtsovername ten Stadhuize, de opbouw en begeleiding van twee optochten en de regie over het straatcarnaval. Nogmaals Thei Bovens: " 'nen oongeorganiseerde oonderein in e georganiseerd kader". In de loop der jaren zijn in Maastricht diverse andere carnavalsverenigingen ontstaan. Zij stimuleren festiviteiten in de afzonderlijke woonwijken, maar werken tevens in tal van opzichten samen in de 'GrootMaastrichtse' viering. Zij zijn verenigd in de Samewerrekende Mestreechter Vastelaovendsvereiniginge (SMV), zich ten doel stellend " 't In stand hawwe vaan de specifieke Mestreechter Vastelaovend". Tot de voornaamste taken van deze alliantie behoort het voorbereiden elk jaar van de verkiezing van een Maastrichts Vastelaovendsleedsje en het promoten daarvan. Daarmee wordt een rijke traditie voortgezet. Vanaf de jaren dertig immers heeft Maastricht een lijvig repertoire van eigen liedjes opgebouwd. Van voor de tweede wereldoorlog dateren evergreens als 'Hup Marjenneke, pup Marjenneke' en 'Hij is voor mij naar d'n Oost gegaaaan' en al bij hun aantreden in 1945 zorgden de Tempeleers voor nieuwe oogst. Voortaan werd elk jaar tenminste een mars op rij gezet. Daarbij werd een strenge procedure gevolgd die in een pontificale omlijsting was gezet. De Tempeleers immers wisten voor een reeks van jaren een aantal prominenten uit de stad in te lijven bij de leedsjes-jury. Wat te zeggen van de eerste dirigent van de Mastreechter Staar, diens collega van de Koninklijke Harmonie, de directeur van de Stedelijke Muziekschool, de alom gevreesde kunstrecensent van het plaatselijke dagblad, een hooggeklasseerde componist van Maastrichtsen huize en voorts enkele min of meer 'alledaagse' stedelingen die de Mestreechter Taol tot in de vocale puntjes beheersten? Een hele avond en een halve nacht werkten zij zich uit de naad om -- met piano- en vioolbegeleiding!! -- uit een aanbod van zo'n dertig inzendingen het liedje van dat jaar te kiezen. Alle deskundigheid ten spijt, moest de jury een enkele keer echter accepteren dat nummer 2 of 3 meer favoriet bleek te zijn bij de carnavalisten op straat. Die hebben het uiteindelijk voor het zeggen, beter nog: voor het zingen!
Sinds het begin van de jaren zeventig lanceren de Samewerrekende Mestreechter Vastelaovendvereiniginge elk jaar een nieuwe schlager. Zij zorgen voor de 'ranzjasie vaan 't leedsje, 't oetverkeeze daovaan en 't oetbringe'. Daartoe zijn twee commissies in het leven geroepen: de selectiekemissie en de ranzjasiekemissie. Eerstgenoemde mag eenzelfde deskundigheid pretenderen als de hierboven genoemde
Tempeleerscommissie uit vroeger jaren. De selecteurs zijn responsabel voor een eerste beoordeling op melodie en tekst conform nauw omschreven normen. De ranzjasiekemissie heeft in een later stadium de handen vol aan het samenstellen van tekstboekjes, het drukken van stembiljetten en de zorg voor een goed verloop van de beslissende publieksstemming. Beide commissies weten hun inspanningen pas volledig geslaagd wanneer op de late dinsdagavond van Carnaval een uitpuilend Vrijthof het bekroonde liedje nog steeds meezingt!
'Braaksels'
In de jaren zeventig en tachtig heeft niet alleen Maastricht maar heel carnavalvierend Zuid-Nederland de strijd moeten aanbinden tegen zoutloze en niet zelden schunnige carnavals-krakers die met commerciele motieven op de platenmarkt werden gebracht met meer dan welwillende ondersteuning van de vaderlandse radio en teevee. De strijd leek ongelijk, maar is uiteindelijk door het Zuiden gewonnen. Ber Essers: "De eige leedsjes hobbe ziech oetindelek neet laote euverstummme door maaksels, zegk mer braaksels vaan Vastelaovendsvreemde kom aof"
terug naar boven